--------------------------------------------------------

Nimmer hosanna

Eerste hoofdstuk van een roman in uitvoering, getiteld:

Nimmer hosanna

1.

Nimmer heb ik vlees gegeten
met de gedachte dat het mij vreugde brengt
of kracht
Neen, het genoegen staat eenzaam
in zijn verlangen
Zowel naast het dier
naast de ziel

Johan, 1929
Nadat hij zijn familie had verloren door de waanzin van armoede.

De oogballen van de bejaarde Johan dansen kwiek rond onder zijn oogleden, die bijgelicht worden door een ferme straal maanlicht. Het weinige vocht dat nog rondzwemt in het lichaam van de oude man, wordt het broze lichaam uit geknepen door een onaangename droom. Het is geen nachtmerrie, maar Johan maakt wederom kennis met zijn verleden.
Vanaf een hoogte die toppen van oude wijze kastanjebomen niet onbekend is, komt met een gedweeë vaart een rivier voorbij, vergezeld van donkergroene weilanden, opgehoogde dijkwegen, pronkzieke boerderijen en uiteindelijk een standvastige vestigingsmuur van een stadje, dat terugblikt op de middeleeuwen zonder aangetast te zijn door de vergankelijkheid. De rivier wordt verlaten en met een toenemende haast naderen de gesloten houten stadspatrijzen, die open slaan net voordat ze het einde leken te betekenen van een uitzicht. Middeleeuwse burgerwoningen, ambachtsbehuizingen, herberg, haard en parelsjieke oorden snuiven nog net de verplaatste lucht in van een voorbij razende windvlaag. De gesloten poort, die landinwaarts knikt, wordt met rasse schreden een detailscherts van houtsplinters en koperen beslag. Maar ook de houten deuren van deze poort gehoorzamen het reizende en dwingende blikveld en slaan tijdig open.
Johan komt in één beweging recht overeind, vrijwel gelijkertijd schreeuwt hij het uit van de pijn. Zijn broze rug kan zo’n onverwachte verplaatsing niet meer velen. De man snuift door zijn neus, terwijl hij achterdochtig maar kordaat de omgeving observeert, alsof hij zijn eigen slaapkamer niet herkent. Hij doet de leeslamp naast zijn bed aan en grijnst de opluchting weg. Gelijkertijd wordt zijn verbazing opgewekt als hij zijn doorweekte pyjama betast. Met een ferm besluit maar voorzichtige bewegingen, om zijn opstandige ledematen te ontzien, stapt hij uit bed.
Twee groteske lampen, die doen denken aan de zoeklichten in Londen tijdens de bombardementen door de nazi’s, verlichten vanuit een grasrijk perk een kolos van een complex. De omvang van het gebouw heeft tot gevolg dat de vele ramen wegsterven in de anonimiteit van de nacht. Eén raam ontdoet zich van de eenzaamheid, want als enige is er achter het glas een licht ontstoken. Een silhouet komt voor het raam en onderneemt een roerloze daad.
Op de rug van zijn pyjama zitten opgedroogde zweetkringen. Door het al maanden niet gewassen raam, concentreert Johan zich op een karig uitzicht, vormgegeven door een klein stuk schone ruit.
Rode wijn vult een glas en wordt vervolgens naar de gerimpelde en droge lippen van Johan gebracht. De man neemt een degelijke slok en zet het glas terug op de keukentafel, maar houdt het wijnglas vast en begroet het glas met een glimlach vol zelfspot. Hij neemt wederom een solide teug. Nu is hij voldaan en zakt enigszins weg in de stoel. Johan sluit een moment zijn ogen en luistert naar zijn trouwe vriend en noestige baken in de zoveel jaren die achter hem liggen. Maar de beste adem stokt als een onbekend, maar bevreesd geluid om aandacht vraagt. Met wijdgesperde ogen richt Johan zich op een keukenkast boven het aanrecht. Tussen de kieren van het keukendeurtje ontsnapt een straaltje fijne witte poeder en sijpelt neer op het koude metale blik van het aanrecht. De knokkels op de handen worden spierwit, als Johan twee hoeken van de tafel in een angstige greep heeft. De straal wordt breder en dikker. Al snel ligt er een bergje poeder op het aanrecht en breidt zich uit richting de rand. De keukendeur gaat met een krachtige zwiep wijd open. Een grote hoeveel poeder spuit naar buiten en spat uiteen in kleine keuken. Het deurtje gaat nog licht heen en weer. De verjaarde hartslag en adem geven de ontstane stilte na de plaatselijke bui geen kans zich uit te breiden. Johan is ontdaan, maar niet verbaasd, door de gebeurtenis. De knokkels op zijn handen krijgen weer kleur, al komt deze niet verder dan een grauwe afspiegeling van roze. Johan neemt even de tijd om zich meester te maken van de tijd waarin hij zich bevindt. De roestige man likt even aan een vingertop en drukt deze vervolgens op de tafel voor hem waarop wat witte stof ligt. Hij proeft ervan en laat zijn hoofd hangen, als een verslagen romanticus. Haast opgekruld zit hij nu in de stoel. Zijn armen hangen slap langs zijn romp.
‘Zout,’ constateert Johan droog met zijn kin steunend op zijn brose bortskast.

--------------------------------------------------------
-------
Terug
-------