--------------------------------------------------------

Mortel

Een kort verhaal uit eigen werk

MORTEL

Sikkels laten sporen na op onverschillige kadavers
Loeiwarm zand biedt onderdak aan loze hulzen
Zonder zichtbaar patroon is het kruit gezaaid
op vruchtbare grond van kleine onschuld
Het eenzame dorp, nu overbevolkt door de dood
zal nooit te weten komen waarom zijn bloed,
stromend over een bodem van mortel en vuurrode dakpannen
enige waarde had in de ogen van een strijd

De kalmte van die ochtend beangstigde mij vanaf het moment dat ik ontwaakte. Mijn ambacht stond niet toe om te handelen op grond van voorgevoelens, maar de stilte die neerdaalde over onze vallei verdrong zelfs het geloei van de altijd aanwezige woestijnbries. Deze waarneming had ik niet moeten negeren.
Het eeuwige gedans van de zandkorrels op de windvlagen werd door de bevolking nooit als hinderlijk ervaren. Integendeel, het werd gekoesterd als één van de bouwstenen van het oord waarin wij ons bevonden. Ons dorp leek op een huis met vele kamers waarin men zich beperkte tot ontwaken, voeden, oogsten, bidden en slapen. Achter de muren met glasloze ramen was er uitzicht op de zon en sterren van boven en de machtige bergketens van opzij. Dat boezemde bij ons allen een gevoel in van machtige veiligheid.
Zo nu en dan kwamen er mensen langs van buitenaf. Zij schonken ons onbekende beschavingen. Sinds kort was er elektriciteit, die gevoed werd door een generator die spinde als een kat en helaas ook zo eigenzinnig was als een kat.
Enkele weken geleden zaten we als één opgewonden familie bij elkaar om te kijken naar de zenuwachtige beelden van een televisie. Kleine mensen spraken een taal die ons allen niet bekend voorkwam. Nochtans, waren de kinderen die dag opstandig en niet aan het werk te krijgen. Voor één keer mochten ze zich overgeven aan een onbekend verschijnsel en bleven ze roerloos staren naar een kast van glas en hout, die met het ondergaan van de zon er de brui aan gaf. De generator pruttelde nog even en zweeg toen voor altijd. God sprak.

Ik negeerde mijn angst en richtte mijn aandacht op de te verwachten vertrouwelijke ochtendrituelen: het gemoedelijke knorren van de varkens, de geur van brandende takken in de kleioven en de obsessie van mijn buurvrouw. Zij bezemde elke ochtend als een bezetene de enige vrachtwagen van ons dorp schoon met een aan een stok gebonden verzameling palmbladeren. Als ik haar zo bezig zag, door het raam van mijn slaapkamer, kon ik mij zo voorstellen dat er een wolk van zand boven de truck hing die pas als een regenbui van stof zou neerdwarrelen op de wagen, als de goede vrouw haar huis weer in ging om de kinderen aan te kleden. Gewoon, om te pesten. Gewoon om te laten merken dat de woestijn ook geaccepteerd wilde worden.
De varkens zwegen.
Ik ging op de rand van het bed zitten en schoof mijn voeten in leren slippers.

Zover ik weet, ben ik de enige die een krant kocht, in de stad, als we met de truck inkopen hadden gedaan voor onze beesten. Het is, ondanks de veilige droge haven waarin ik mij bevond, fijn om te weten dat de aardbol groter is dan onze nederzetting en niet alleen gedragen wordt door een oneindige hoeveelheid schildpadden. De krant was voor mij een bevestiging dat er ook een wereld bestond achter de besneeuwde bergpieken. Hoewel ik nooit sneeuw in mijn handen heb gehad, weet ik van het bestaan. Al is het alleen maar dankzij het geschrevene. Ik had nog zo graag willen weten hoe sneeuw ruikt. Dit terzijde.

Het begon op pagina acht.

Enkele weken later had het de voorpagina gehaald. Er was een burgeroorlog uitgebroken. Niet tussen mensen, maar tussen geloofsovertuigingen, zoals men schreef. Ik kon het niet begrijpen. Hebben mensen dan niets in te brengen? Maar de vraag zonk weg in huivering. In enkele dorpen, die niet vreemd of ver weg leken, had zich een ware ramp voltrokken. Nee, toch geen ramp, want daar heeft de mens geen invloed op, tenminste niet bewust. Een groep van ongeveer vijftig guerrilla’s (zoals het nieuwsblad hen omschreef) hadden met grote kapmessen en antieke karabijnen complete families uitgemoord. Er was geen genade voor leeftijd of sekse. Iedereen werd gelijk behandeld. Niemand was gevlucht of in paniek geraakt. Daar was geen tijd voor. Daarnaast had men dit nooit verwacht. De arme drommels wisten niets van een burgeroorlog af.
Ons land heeft ooit onder een Franse regering gediend en volgens de journalisten waren zij er schuldig aan dat het evenwicht tussen de diverse volkeren in het land nu hevig is verstoord. Ik kan me niet herinneren ooit te hebben gesproken met een Fransman. Zelfs mijn ouders of grootouders heb ik nooit horen spreken over Fransen.
Mijn laatste krant dateerde van drie dagen voor die ochtend. Het ging wederom over ontzielde dorpen. Ik kreeg het koud. Ik had het nog nooit kil gehad overdag. De beulen hadden de afgehakte ledematen verspreid tussen de smeulende resten van het dorp om identificatie te hinderen. Zo niet bemoeilijkt, dan wel onmogelijk gemaakt. Het was alsof men een puzzeldoos door elkaar had geschud en vervolgens had uitgestrooid.
Als ik mijn bestaan als dokter een kleur moet geven, is dat hemelsblauw en de kleur van wat geschreven was hemelzwart. En dan is er nog de toevoeging ‘hemel’ die de gruwel een kleur geeft.
Het spookte door mijn hoofd. Drie dagen en nachten. Toen werd ik wakker. Was het wel voorgevoel? Ik veegde het weg als vuil onder een tapijt. Er was geen reden om bang te zijn. Wij hadden niets te maken met een oorlog, waarvan wij het bestaan niet wisten.
Varkens liegen nooit.
Ik leunde uit het venster en zag een vrachtwagen vrij van zand. De weerspiegeling van de trouwe zon op het blik van het portier deed pijn aan mijn ogen. Mijn buurvrouw had dit keer wel erg haar best gedaan. Ik snoof langer dan normaal om de geur van het rijzende deeg te herkennen. Ik rook niets. De angst keerde in alle heftigheid terug. De paniek kroop door mijn poriën naar buiten. Ik zweette koude tranen over mijn hele lichaam.
Moet ik iedereen waarschuwen op basis van mijn opwellende intuïtie, vroeg ik mij in gedachten af, of op basis van het feit dat ik een krant gelezen had?
Ik begon een spontaan verzonnen compositie te fluiten en waste mijn gezicht en kruis met het scheerwater van gisteren. Dan maak ik maar geluid, moet ik gedacht hebben. Het pluimvee en de varkens achter mijn huis werden onrustig. Ze begonnen te kakelen en te gillen, alsof ze dachten dat ze nu al rijp waren voor de slacht. Nee, daarvoor hadden ze nog te weinig vet. Tja, ik ben dokter. Ik beëindig geen levens, zelfs niet dat van beesten.

Ze kwamen nergens vandaan.

De buurvrouw stond voor mijn raam zonder ruit. Ze had geen hoofd meer. Haar lichaam werd overeind gehouden door haar dochtertje die wenend van verwarring zichzelf omklemde met haar moeders’ armen. Ook ik stond nog, maar dan ondersteund door totaal ongeloof. Ik had geen gevoelens, maar was gedesoriënteerd door de absurde werkelijkheid die zich voor mijn ogen voltrok. Een jeep, gevuld met enkele emotieloze blikken, scheurde voorbij. Er zat bloed op de velgen.
De deur klapte tegen de muur. Ik stond oog in oog met de waanzin, uitgedost als een jongen van hooguit vijftien jaar. Hij had een te grote helm op zijn kop, die als een weegschaal met ongelijke gewichten op zijn hoofd balanceerde. Het was bijna een komisch plaatje. In zijn ene hand had hij een geweer en in de ander een groot kapmes.
‘Daar heb ik over gelezen,’ was het enige dat ik kon zeggen, ‘dat moet een antieke karabijn zijn.’
Hemelzwart was mijn kleur geworden.

Ik werd gewekt door mijn eigen pijn.
Mijn maagstreek was een mozaïek van diepe groeven en mijn linkerarm hing erbij alsof het mijn eigendom niet meer was. Ik strompelde naar mijn werkkamer. Mijn rechterarm verving de linkerarm en voeten, want ook mijn benen wilden niet meer zijn, wat ze ooit waren. Waarschijnlijk had ik al veel bloed verloren.
Enkele uren later zag ik eruit als een mummie. Ik was gebalsemd met alcohol en verstopt onder gaasverband.
Mijn linkerarm werd een virus en daarom moest ik snel actie ondernemen. Om de pijn te verdragen dacht ik aan de ondraaglijke schuld die ik op me had genomen; dat ik niemand had verteld over datgene dat ik wist, of minstens kon vermoeden. Maar nee, ik wilde de wereld voor mezelf houden. De trouwe routine van alledag zou de eeuwigheid overleven en ik zou hier rustig sterven met het idee dat ik geëerd zou worden als de wijze geneesheer, die als enige de krant las. Mijn conclusie was correct. De schuldgevoelens overtroffen de pijn van de amputatie. Het dichtschroeien van de wond met een gloeiend hete stempel, waarmee onze runderen genummerd werden, leek niet anders te voelen dan het scheren met een bot mes. Op de stomp droeg ik nu het nummer acht.

Ik genas en begon te wenen.

Mijn dagen sleet ik met het verorberen van een rap slinkende voorraad rijst en brood. Ik meende zelfs zo nu en dan bloed te proeven als ik water had gedronken uit de put, enkele kilometers van het ontbeende dorp.
De schuld die ik in me draag heeft zich vermenigvuldigd.
Ik had geen moeite gedaan om de ontzielde lichamen te herkennen. Alles is begraven op één plek, met één steen, waarop ik niets geschreven had. Ik kon niets bedenken. Het huis, zoals ik onze nederzetting omschreef, is geen woning meer te noemen. Het is een verzameling puin. Niets is aan de hoop van menselijkheid overgelaten. Alles is vernietigd. Ik ook, maar ik leef nog.

Mijn besluit staat vast. Ik laat me over aan de zekerheid van rust en zal sterven op de grond van het karkas dat ooit mijn huis was. Er is nog voedsel en er is nog water, maar daarmee hou ik alleen mijn lichaam in leven. Ikzelf ben al dood, zonder dat ik het wil. Dat zou een zonde zijn. Maar ik ben niet meer in staat om te hopen. Wellicht dat iemand hier ooit nog komt en datgene vindt dat ik achterlaat, een zak met bij elkaar geschraapte mortel uit de neergehaalde muren.
Wat kan ik nog meer voor mezelf betekenen dan te weten dat ik nu ongelukkig leef, maar gelukkig zal sterven met de gedachte dat iemand mijn testament uitvoert, dat geheel in het teken staat van voorlopig nog ongeboren hoop.

Dierbare vinder,

Als je weet wat je moet doen met de mortel dan kan één mens al verantwoordelijk zijn voor de vernietiging van Goddeloze waanzin, uitgevoerd door zo velen.

--------------------------------------------------------
-------
Terug
-------